Ragdoll

Ragdoll

De belangrijkste erfelijke aandoeningen zijn hartfalen (HCM) en nierfalen door cystenieren (PKD). De verslechtering van de nieren leidt tot vergiftiging, waardoor het dier vermagert, zich slecht voelt en uiteindelijk een langzame dood sterft. Hartfalen zorgt op termijn voor een verminderd uithoudingsvermogen, verlamming van ledematen of plotselinge sterfte. Daarnaast komen twee typen huidtumoren (basaalcel- en mastceltumoren) relatief vaak voor, en is het ras gevoelig voor het ontwikkelen van blaasgruis (urolithiase), met als gevolg een pijnlijke blaasontsteking. Het ras blijkt ook gevoelig te zijn voor het ontwikkelen van de fatale ziekte FIP.

Een verhoogd percentage dieren heeft bloedgroep B, waardoor er een grotere kans is op fatale afbraak van rode bloedcellen bij kittens (neonatale iso-erytrolyse). Het is dus verstandig om de bloedgroep van de ouderdieren te bepalen voordat men met de ragdoll gaat fokken.

Geschiedenis

De ragdoll is in de jaren zestig ontstaan in Californië (Amerika). De moeder van de ragdoll was Josephine, een semi-wilde, witte langharige kat, van onbekende ouders. Al haar nakomelingen zagen er bijzonder uit. Waarschijnlijk bezat Josephine een aantal uitzonderlijke genen, die dan wel recessief overerfden, of gemaskeerd werden door de dominante witte kleur. De katers waarmee zij gekruisd werd konden deze latente genen tot expressie laten komen, waardoor er opvallende nakomelingen werden geboren.
Het ras dankt zijn naam ragdoll, wat letterlijk lappenpop betekent, aan het feit dat de nakomelingen van Josephine de neiging hadden zo slap te liggen als een poppen.

Drie katten vormen de basis van het ontstaan van het ras, Daddy Warbucks (een zoon van Josephine); Raggedy Ann Fugianna (een dochter van Josephine en haar zoon Daddy Warkucks) en Buckwheat (een dochter van Josephine en haar zoon Blackie).
In 1967 werden ragdolls voor het eerst erkend als ras in Amerika, en in 1981 werden de eerste ragdolls naar Europa gebracht.

Aantal bij dit ras bekende erfelijke aandoeningen
9
Risico

Beduidend risico op erfelijke aandoeningen

Aandoeningen

In de (vak)literatuur worden nog meer erfelijke aandoeningen genoemd. Vaak bestaat hiervoor weinig bewijs of komt de aandoening in Nederland zelden voor, dan wel is het ongerief nihil. Deze aandoeningen worden hier voor de volledigheid wel getoond, maar krijgen een score nul.

Basaalceltumor (vorm van huidkanker) (2) Goldschmidt MH et al., 2000
Gough A et al., 2010
Cryptorchidie (niet ingedaalde zaadbal) (1) Goericke-Pesch S et al., 2013
Dystocia (moeilijke geboorte) (1) Holst BS et al., 2015
Feline infectieuze peritonitis (FIP) (besmettelijke buikvliesontsteking) (5) Bell ET et al., 2006
Gough A et al., 2010
Pesteanu-Somogyi LD et al., 2006
Rohrbach BW et al., 2001
Taharaguchi S et al., 2012
Hypertrofische cardiomyopathie (HCM) (hartziekte door verdikte hartspier) (9) ' data-trigger='hover'>Borgeat K et al., 2014
Bosje T, 2017
Casamian-Sorrosal et al., 2014
Cechvala P et al., 2011
Gough A et al., 2010
Longeri M et al., 2013
Payne J et al., 2010
Schwering C, 2009
Testerink-Baas E, 2010
Mastceltumor (kanker van specifieke afweercellen) (1) Melville K et al., 2015
Neonatale iso-erytrolyse (afweerreactie tegen eigen rode bloedcellen) (4) Forcada Y et al., 2007
Knottenbelt CM et al., 1999
Malik R et al., 2005
Proverbio D et al., 2011
Polycystic kidney disease (PKD) (cystenieren) (4)
' data-trigger='hover'>Gubbels E et al, 2005

Paepe D et al.,2012
Scherk, M., 2014
Testerink-Baas E, 2010
Urolithiase (urinewegstenen/"blaasgruis") (Feline Lower Urinary Tract Disease) (FLUTD) (2) Albasan H et al., 2012
Gough A et al., 2010
Deel deze pagina

Oh nee, een pop-up!

Geloof ons, wij houden er ook niet van.
Maar als zelfstandige stichting zijn we volledig afhankelijk van particuliere donaties.

Miljoenen dieren hebben jouw hulp nodig.

Ja, ik help de dieren

Nee, bedankt (ik ben al donateur)